Samenvatting
In dit proefschrift wordt saxofoon zonder mondstuk (in het Engels: saxophone without mouthpiece, hier verder afgekort als SWMP) onderzocht, een innovatieve benadering van het saxofoonspelen die de traditionele uitvoeringspraktijk uitdaagt. Bij SWMP, de naam zegt het al, wordt het mondstuk – een essentieel onderdeel voor het produceren van het conventionele saxofoongeluid – verwijderd. In plaats daarvan speelt de saxofonist rechtstreeks op het hals. De afwezigheid van het mondstuk creëert nieuwe muzikale en auditieve mogelijkheden en een reeks relatief nieuwe technieken zoals luchtgeluiden (air pitch), tongstop (tongue ram), trompetklanken (trumpet sounds) en fluitklanken (saxo-flute hybridity).1 Deze technieken, die tot nu toe in zowel de muziekpraktijk als de academische wereld nog niet grondig zijn onderzocht, trokken mijn aandacht na mijn eerste ontmoetingen met componisten die ze in hun werk toepasten. Dit leidde tot het huidige artistieke onderzoeksproject dat als doel had om mijn vaardigheden in deze technieken te verfijnen, mijn kennis hierover te delen, hun historische oorsprong en esthetische context te onderzoeken, hun rol in het saxofoonrepertoire te verkennen en hun potentieel voor andere uitvoerders en componisten naar voren te brengen.
Enkele van de onderzoeksvragen die ik in dit proefschrift heb beantwoord zijn: Wat is SWMP? Wat is het artistieke, technische en auditieve potentieel van SWMP-technieken? Wat is de historische achtergrond en context van deze technieken? Hoe passen SWMP binnen het interactieve netwerk van uitvoerders, componisten, materiaal, instrumenten en notatie? Kan er een meer gestandaardiseerd notatiemodel voor deze technieken worden opgesteld dat een basis vormt waarop componisten kunnen voortbouwen? Hoe kan de samenwerking tussen componist en uitvoerder beter gestalte krijgen daar waar het de notatie en uitvoering van SWMP-technieken betreft in (modern) klassieke muziekwerken?
In dit proefschrift worden de technieken voornamelijk in en door het spelen zelf onderzocht en geëvalueerd waardoor hun auditieve potentieel goed kan worden belicht en hun technische parameters gedefinieerd. Daarnaast is de notatie geanalyseerd die tot nu toe vaak gebruikt wordt bij SWMP-technieken, en stel ik een meer uniform systeem voor dat zowel de acceptatie van deze technieken door componisten kan bevorderen als ook het begrip ervan bij uitvoerders kan vergroten. Dit proefschrift is daarom allereerst bedoeld voor saxofonisten, componisten, pedagogen en onderzoekers; het biedt uitgebreide analyses van de SWMP-technieken, inclusief hun historische achtergrond, de technische uitvoering ervan alsmede de uitdagingen met betrekking tot notatie.
In het eerste hoofdstuk plaats ik SWMP in een breder historisch en esthetisch kader en traceer ik de integratie ervan in de hedendaagse saxofoonpraktijk. De wortels liggen in de jaren 1920 en 1930, een periode waarin saxofonisten in vaudeville- en dansbands experimenteerden met verschillende speeltechnieken. In die tijd vonden saxofonisten “trucjes” uit, waaronder het bugel-effect, een techniek die verwant is aan wat nu trumpet sounds genoemd wordt. Sommige van deze trucs zijn door de geschiedenis heen blijven bestaan, terwijl andere vervaagden of opgingen in verwante technieken. Maar de SWMP-technieken zoals we die nu kennen, zijn pas veel later formeel ontwikkeld, met name in de jaren 1980. De belangrijkste bijdragen zijn afkomstig van saxofonisten als Daniel Kientzy, Jean-Marie Londeix, Marie-Bernadette Charrier en Marcus Weiss; zij speelden een grote rol bij het formaliseren van de SWMP-technieken.
In hetzelfde hoofdstuk breng ik SWMP in verband met bredere muzikale, esthetische en filosofische ontwikkelingen. De opkomst van experimentele muziek en de zogenaamde sonic turn – een verschuiving van aandacht voor traditionele muzikale elementen zoals melodie en harmonie naar aandacht voor het geluid zelf – vormden een vruchtbare voedingsbodem voor de ontwikkeling van nieuwe saxofoontechnieken, waaronder SWMP. In dit hoofdstuk ga ik in op belangrijke esthetische evoluties zoals bijvoorbeeld beschreven in Luigi Russolo’s The Art of Noises (1913), waarin hij pleit voor het invoegen van alledaagse en industriële geluiden in muziek. Ook Edgard Varèse stelde in zijn manifest The Liberation of Sound (1966) een breuk voor met de traditionele muzikale parameters en promootte het gebruik van nieuwe geluiden, waaronder geluiden die mogelijk werden gemaakt door elektronische instrumenten en nieuwe speeltechnieken. Helmut Lachenmann’s concept van musique concrète instrumentale is in dit opzicht eveneens relevant omdat het de meer traditionele instrumentale technieken samenvoegt met de esthetiek van musique concrète en zich richt op de lichamelijkheid van geluidsproductie. Russolo’s introductie van niet-traditionele geluiden in muziek, Varèse’s nadruk op de materialiteit van geluid, zijn timbres en texturen, en Lachenmann’s idee dat de handeling van het maken van geluid eigenlijk net zo belangrijk is als de auditieve resultaten, ondersteunen het idee dat SWMP-technieken niet slechts cultureel-technische curiositeiten zijn, maar deel uitmaken van bredere historische, artistieke, praktische en theoretische verkenningen van geluid en muziek.
Het eerste hoofdstuk eindigt met een overzicht van de belangrijkste saxofonisten, improvisatoren en componisten die hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van SWMP. Verder geef ik analyses van twee improvisaties en twee prominente SWMP-werken. Als zodanig legt dit hoofdstuk de basis voor de gedetailleerde technische en uitvoeringsanalyses in de volgende hoofdstukken.
In de hoofdstukken twee tot en met vijf onderzoek ik elk van de vier primaire technieken in detail: air pitch, tongue ram, trumpet sounds en saxo-flute hybridity. Elk hoofdstuk bestaat uit video’s waarin ik de technieken demonstreer en bevat verder de volgende onderdelen: beschrijving, technische parameters, uitvoering en praktijk, persoonlijke ontwikkeling en pedagogie. In het beschrijvingsgedeelte leg ik uit wat elke techniek inhoudt en geef ik korte voorbeelden van hoe je de specifieke klank kunt produceren. In het onderdeel ‘technische parameters’ behandel ik essentiële details zoals bereik, transpositie en embouchure, en geef ik tevens een overzicht van bestaande literatuur. Het gedeelte over uitvoering en praktijk gaat in op verschillende factoren die van invloed zijn op een succesvolle uitvoering van elke afzonderlijke techniek, zoals articulatie, glissandi, dynamisch bereik, de barrissement techniek (voor trumpet sounds) of het veranderen van klinkers (voor air pitch), enz. Het gedeelte over persoonlijke ontwikkeling biedt richtlijnen over hoe saxofonisten vaardigheid kunnen opbouwen met elke techniek, terwijl het pedagogische gedeelte docenten praktische inzichten biedt over hoe ze deze technieken kunnen onderwijzen. Elk hoofdstuk wordt ondersteund door demonstratievideo’s, transpositietabellen en een handleiding voor het spelen van de desbetreffende techniek. De demonstratievideo’s dienen als referenties en laten zien hoe ik zelf de technieken op verschillende manieren uitvoer, inclusief overgangen tussen alle technieken, met korte teksten die aanvullende informatie geven. Deze hoofdstukken zijn essentieel voor het verkrijgen van een diepgaander begrip van de SWMP-technieken en ze vormen een uitgebreide bron voor saxofonisten, componisten en docenten.
Na de gedetailleerde verkenning van de vier technieken is het belangrijkste onderwerp in hoofdstuk zes de vraag hoe SWMP-technieken genoteerd kunnen worden. Aangezien dit onderwerp al lange tijd onderwerp van discussie is, vond ik het nodig om de verschillende notatiepraktijken die gebruikt worden voor SWMP te onderzoeken, hun evolutie door de tijd heen te volgen, te analyseren wat de notatie communiceert naar een uitvoerder, en richtlijnen te bieden voor componisten die SWMP-technieken in hun werk willen opnemen. Het hoofdstuk begint met een discussie over de notatiekeuzes van componisten. In de 20e en 21e eeuw hebben zij een enorme veelheid aan notatiesystemen ontwikkeld om hun ideeën vast te leggen, en geheel nieuwe en individuele notatiesystemen geïntroduceerd. Deze particuliere systemen hebben zeker de artistieke reikwijdte van een specifiek werk kunnen vergroten, de uitvoering en creatie van nieuwe en tot dan toe ongehoorde klanken vergemakkelijkt, en uitvoerenden de kans geboden om zich nieuwe tekens en symbolen eigen te maken. Echter, notatie moet ook duidelijk en efficiënt zijn zodat een uitvoerder die tekens en symbolen zo goed mogelijk, dat wil zeggen volgens de bedoelingen van de componist, kan interpreteren. Aan de hand van bijdragen van verschillende auteurs, waaronder Karkoschka, Toop, Fairbairn, Taruskin, Duncan en Assis, verken ik de diversiteit van notatievormen en de enorme artistieke mogelijkheden die dat biedt. Op basis hiervan kom ik tot een paar belangrijke observaties. Ten eerste, ondanks verschillende pogingen om notatie te standaardiseren, zijn componisten altijd op zoek gebleven naar nieuwe manieren om hun muzikale ideeën vast te leggen. Ten tweede zijn veel auteurs van mening dat complexe partituren passen bij de muziek die zij representeren. Deze diversiteit aan notatiesystemen kan enerzijds frustraties oproepen (zoals in het geval van Taruskin) maar moedigt ook artistieke expressie aan (zoals Fairbairn beweert). Maar notatie is, volgens mij, allereerst bedoeld om door middel van tekens en symbolen klanken te communiceren zodat de musicus die kan interpreteren en vervolgens uitvoeren.
Uiteindelijk ben ik op zoek gegaan naar een zekere consistentie in het noteren van deze technieken. Een uitvoerder is verantwoordelijk voor het zo nauwkeurig mogelijk interpreteren van een partituur, waarbij hij of zij een fysieke vertaling geeft van een metafysisch fenomeen, wat dagelijkse, rigoureuze oefening vereist. In dit proces baseren uitvoerende musici hun keuzes op eerder opgedane en belichaamde ervaringen. Om dit proces soepeler te laten verlopen, presenteer ik een aantal richtlijnen die componisten kunnen gebruiken bij het schrijven voor SWMP. Deze richtlijnen gaan in op veelvoorkomende notatieproblemen en bevatten zowel algemene als specifieke aanbevelingen voor het noteren van elke SWMP techniek. Een zekere vorm van standaardisatie, zonder daarbij dogmatisch te zijn, kan nieuwe technieken normaliseren, de artistieke expressie verrijken en mogelijke verwarring tussen uitvoerders en componisten verkleinen. Het kan zowel componisten als saxofonisten helpen om zich de technieken beter eigen te maken, waardoor rijkere uitvoeringen mogelijk worden en het artistieke potentieel dat ze voor ogen hebben beter benut kan worden. Mede daarom pleit ik ook voor een nauwere samenwerking tussen componisten en uitvoerders, waarbij ik verwijs naar Roland Barthes’ baanbrekende tekst ‘The Death of the Author’ (1967), waarin hij een meer dynamische relatie ziet tussen de auteur van een werk en zijn lezer of vertolker, die eigenlijk de medeauteur is.
Dit onderzoek is tot stand gekomen in en door mijn eigen muzikale praktijk. Daarom is een belangrijk deel van dit proefschrift gevuld met persoonlijke audio- en video-uitvoeringen van verschillende SWMP-werken. Dit was essentieel om het onderzoek überhaupt te kunnen doen. Een belangrijk mogelijk resultaat van dit artistieke onderzoeksproject ligt namelijk in nieuwe uitvoeringen, opnames en opdrachten voor SWMP-werken. Daarom ook is er een gedetailleerde handleiding voor het produceren van tonen door middel van SWMP-technieken, inclusief audiovoorbeelden van elke mogelijke toon voor de bijbehorende techniek. Het is de artistieke praktijk die me ertoe bracht dit tot onderdeel van dit proefschrift te maken. Ik heb tevens een repertoirelijst toegevoegd die het groeiende aantal werken laat zien van componisten die voor SWMP schrijven. Daarnaast zijn er video’s van interviews die ik heb gehouden met een aantal van deze componisten, evenals met een saxofoniste die onderzoek heeft gedaan naar vroege saxofoonmethodes.